Ik ben niet zo’n fietser. Eigenlijk fiets ik om de culinaire intermezzo’s. Volgens mij was de Tour Culinair daar oorspronkelijk voor bedoeld, maar de ruimte in het peloton voor gastronomische genieters die matig fietsen wordt steeds kleiner.
Vooral de
koffiebreak met taart vind ik een hoogtepunt. Dan heb ik de eerste 35 kilometer
erop zitten, en dan wacht daar, in een mooi horecabedrijf een filterkoffie met
een goed stuk huisgemaakte appeltaart met slagroom. Kijk: dan weet ik weer
waarvoor ik op de fiets zit.
De lunch vervolgens: als het mee zit hebben we dan meer dan helft van het parcours van de dag erop zitten. Dat is psychologisch belangrijk voor mij. Ik ben namelijk niet zo’n fietser, maar dat had ik al gezegd. Goed de lunch: waar ik bewondering voor heb is de diehards die wijn bij de lunch gebruiken. God, wat vind ik dat stoer. Toen ik nog jong en onbevangen was deed ik dat ook. Nu zie ik daar vanaf, zoek ik vooral voedzame ingrediënten om mezelf weer op te laden voor de tweede helft van de dagrit. Een sapje, beetje water, een salade, brood, that's it.
Na de
lunch volgt het zwaarste gedeelte van de etappe. Afzien tot de ijsstop. Pfff, de
spieren zijn al wat stijf geworden, het lijf protesteert al lichtjes. Tot het minihoogtepunt in de tour. Op de meest
onverwachte plekken stoppen we voor een vers schepijsje. Dat is fijn.
En dan het
laatste stuk. Als het peloton hard rijdt ga ik naar de kl**te. Maar telkens
vind ik kracht in het vooruitzicht van bier en een bitterbal. Jawel, als we
weer in het hotel zijn, op het terras, dan is er niks lekkerder dan een koude
klets met een warm bitterballetje. Dan weet ik weer waarvoor ik 130 kilometer
heb gereden.
Tour Culinair. Vergeet de C niet jongens. Belangrijk!
